Een nieuwe dag, nieuwe kansen. Het belooft weer een mooie dag te worden. Wanneer ik bij de bus aankom, log ik eerst in en wacht ik op het eerste bericht. Gelukkig komt dat snel binnen, dus ik ga direct op pad. Als ik bijna de straat uit ben, zie ik de eerste persoon al klaarstaan. Mooi, goed gegokt. Daarna rijd ik door naar het eerste adres en zie ik het vervolg alweer binnenkomen.
Oké, dit wordt een druk ritje. Ik heb straks zes kindjes, dus de bus zit bijna vol.
Kindje één, twee en drie gaan zonder problemen mee. Ze zijn nog lekker rustig. Maar bij kindje vier is dat anders: hij is nog boos op kindje één en dat laat hij duidelijk merken. Gelukkig blijft kindje één rustig, waardoor de sfeer snel weer stabiliseert. Daarna haal ik kindje vijf en zes op en breng ik eerst kindje vier naar school. Vervolgens lever ik één, drie, vier en vijf af en rijd ik door naar de laatste school voor kindje twee.
Ondertussen komen de volgende adressen alweer binnen. Het is duidelijk: het wordt zo’n dag waarop alles achter elkaar doorgaat.
Naar de dagbesteding
Als ik kindje twee bij school heb afgezet, rijd ik nog even iets verder weg, omdat het bij deze school altijd druk en smal is. Daar vul ik rustig de nieuwe adressen in. Ik mag zes dames ophalen, verspreid over zes adressen, en ze allemaal naar één locatie brengen.
Wanneer ik in de buurt kom, zie ik dat ik veel te vroeg ben. Dus zet ik de bus even stil en wacht tot tien minuten voor de ophaaltijd. Daarna ga ik alle dames ophalen en breng ik ze naar de dagbesteding. Ze weten nog niet wat ze vandaag gaan doen, maar waarschijnlijk wordt het iets leuks.
Naar het ziekenhuis en weer terug
Mijn volgende rit is een mevrouw die naar het ziekenhuis moet. We hebben een leuk gesprek onderweg en zij helpt me zelfs met zoeken naar mijn volgende klant, die ik uit hetzelfde ziekenhuis moet halen.
De heer die ik daarna oppik, vertelt enthousiast dat hij vanmiddag naar het café gaat om troefcall te spelen. Hij legt me kort de spelregels uit. Het klinkt eigenlijk best gezellig. Als ik hem op z’n adres afzet, wens ik hem een fijne middag.
Daarna haal ik nog een dame op die lekker gaat winkelen. Haar opgegeven afleveradres klopt niet helemaal, dus spreken we af dat ik doorgeef dat ze op een andere hoek wil worden opgehaald. De planning is blij dat ik meedenk — fijn als dingen soepel lopen.
Een rit die omslaat
Dan is het tijd om de kinderen weer van school te halen. Ik heb vijf kindjes: één, drie, vier, vijf en zeven. Eén van hen wil absoluut voorin zitten. Dat is prima. Onderweg halen we kindje twee op. Kindje één rent alvast het schoolplein op om hem op te halen, dat gaat sneller dan wachten op een leraar.
Daarna rijden we door naar kindje zes. Vanaf het moment dat hij de bus in stapt, is zijn humeur slechter dan gisteren. Hij wil niet geroepen worden vanuit de bus, wat ik ergens wel begrijp. Daarom probeer ik meteen een afspraak met hem te maken over hoe hij wél snel naar de bus kan komen. Na tien minuten komen we eruit: drie keer toeteren betekent dat hij moet komen.
Maar eenmaal onderweg begint hij kindje één te pesten. Wanneer ik zeg dat ik dat niet wil, stopt hij helaas niet.
Het gaat mis
Op afleveradres één gaat het mis. Wanneer ik om de bus heen loop en de deur open doe, zie ik dat kindje vijf kindje één slaat. Dit is absoluut niet de bedoeling. Ik probeer meteen in te grijpen, maar het lukt me niet om ze volledig uit elkaar te houden.
Kindje één raakt helemaal overstuur en wil de bus uit stormen. Dat kan natuurlijk niet. Ik houd hem tegen en hij zegt dat hij niet meer mee wil. We besluiten zijn contactpersoon te bellen, die gelukkig direct kan komen.
Ondertussen bellen we ook voor kindje vijf. Zijn contactpersoon krijgt hem een beetje rustig. Nadat kindje één is opgehaald, rijd ik verder. Kindje vijf blijft vervelend, maar gelukkig niet meer handtastelijk.
Wanneer ik hem bij zijn woning afgeef, loop ik mee naar binnen. Ik vertel wat er is gebeurd en dat ik hem op deze manier niet meer kan vervoeren. De contactpersoon begrijpt het gelukkig. We willen er een goed gesprek over voeren, maar op dat moment horen we dat het achterin de bus opnieuw onrustig is. Daarom spreken we af dat ik later terugbel.
Emoties die eruit moeten
Wanneer de laatste kinderen zijn afgezet, parkeer ik de bus in een rustige straat. Eerst bel ik de contactpersoon van kindje vijf. Ze had al een gesprek met hem, maar nadat ik vertelde dat hij tijdens het rijden de bank van een ander kindje omhoog aan het doen was, zou er nog een aanvullend gesprek komen.
Daarna bel ik de planning en vertel ik wat er allemaal is gebeurd. Op dat moment lukt het me niet meer om mijn tranen tegen te houden. De schrik zat er diep in en ik ben blij dat ik een luisterend oor krijg. Ik moet een officiële melding maken bij een andere afdeling, dus stuur ik alvast een korte mail dat er nog een lange mail volgt — en dat deze twee kindjes niet meer samen in de bus kunnen.
Na alles te hebben afgehandeld rijd ik nog even langs het adres van kindje één. We praten nog kort, en dat voelt gelukkig goed.
Een moeilijke afsluiting
Hoe leuk ik dit werk ook vind… hiervoor heb ik niet getekend. Ik stuur nog een lange mail en morgen moet ik samen met de planning kijken hoe we dit kunnen oplossen.
Ik ga naar huis met een minder fijn gevoel, maar hopelijk wordt het morgen beter.
